aasgier

Mystiek, grafiek en purper proza

Maand: augustus, 2012

Prints

A night of printing at Rhythmus resulted in these beautiful objects:

On the front are the illustrations to the short stories that are printed in black on the back. Postcard-sized. Printed on a Heidelberg letterpress.

If you find any, read them and keep them.

De Demonen

Toen ik eenmaal voorbij was, voelde ik hoe ze mij nakeken, de brandende ogen, blauw, rood en zwart en kleurloos vuur. Ik was niet meer moe nu, de strijd had mij zelfs energie gegeven. Ik dacht te blijven lopen, want ik was beginnen lopen, en de hagen en beken van mijn geboorteland kondigden zich al aan. Als ik mijn armen zou uitstrekken, zou ik ze aanraken, en dat deed ik, en de takken en koelte heetten mij welkom. Maar ik voelde de ogen, en voor ik het wist stond ik stil, zwetend. Wie stilstaat, moet omkijken. Ze waren nog niet veranderd. Ik was beginnen begrijpen, tijdens de strijd, die gaandeweg op een worsteling tussen kinderen was beginnen lijken, op een spelletje tikkertje, dat zij aan ieder mens verschenen. Daarbij namen zij voor ieder andere gedaanten aan: vaders, moeders, meesters en dieren, en wezens zo abstract en onkenbaar dat zij meer in de wiskunde op hun plaats waren dan in de organen. Nu begreep ik, dat hun uiterlijk voor mij nu vastlag. Nieuwe gedaantes, zouden de nieuwe wezens zijn, die nog zullen komen.
Daar zaten ze nu bij elkaar gepakt, op de grens waar het pad het woud verlaat, half in het duister waar zij deel van uitmaken. Nul en De Wolf stonden tegen elkaar aangedrukt met de haren gemengd, en leunden en staarden. Nog steeds aanvaardden de lege ogen alle projecties, die kracht kregen van het vuur dat uit de holtes glom. Wat wilden zij nog, had ik hen niet overwonnen? Zouden zij de strijd opnieuw willen aangaan, werd er van mij verwacht dat ik zou terugkeren op mijn stappen? Daar hurkten en cirkelden ze, als katten rond een lege voederbak. Verlosser drentelde heen en weer tussen zijn makkers door, met de oren plat. Martelaar snoof steeds weer de lucht, en sloot de blauwe ogen bij het inademen, en bewoog zijn hoofd op en neer. Het donker kon geen vaste plaats vinden tussen de rusteloze gestalten. Rijdier liet de teugels over de grond slepen, en ademde van de mulle grond.
Maar ondanks de verschillen in gedrag en vorm, was er telkens weer een moment dat alle ogen tegelijk naar me keken, en dat beeld bevroor dan in een bliksemflits van emotie. Legers van beslissingen vochten binnenin, en er kwam geen winnaar. Alles begon op elkaar te lijken, en er was geen binnen meer of buiten. Mijn huis lonkte naar mijn instincten. Ik miste het gevecht niet, zou het nooit vergeten, en zij waren waarlijk afschuwelijk: verraders, bruten, leugenaars, dansers. De lege wind droeg de smekende keelklanken en het hondse jammeren tot in de wereld. Het was iets sterker dan mijzelf, datgene dat ik het meest dankbaar ben, maar dat ik nooit ken, dat mij uiteindelijk een hand deed opheffen en deed wenken: “Volg mij!”. Zonder nog om te kijken liep ik de lichten van thuis tegemoet.

Vlad Siffleur

VladSiffleur

Finally, here are all the Occult Adventures of Vlad Siffleur in one PDF to download. Starring enigmatic occultist Vlad and his apprentice Mr. Bouvier and set in a sort of pseudo-Victorian London or Paris.

It started out as a joke, of course, and continued from there.

You might notice that, apart from mouth and eyes, the two gentlemen don’t move too much. Drawing the same figures over and over again was a bit too much too ask. (If only I had a monkey with some artistic talent, and the will to work of course). But they talk a lot, especially Vlad.
You will notice that I left our heroes in the middle of something. I had (and still have) a whole storyline laid out for them. But I started to feel that the things I was ridiculing weren’t really worth the effort anymore. Also, my own attitude to the subject matter changed (and changes still), so if I wanted Vlad’s teachings to stay consistent I would have had to start ‘faking it’.
And when the creative and the magical are combined (as they should be), faking it won’t do.
Besides, no one was reading it anyway.
But now, anyone can!

The Day After

Drie Generaties

Gelukkig schijnt er een heilige leegte te zijn:

Mijn grootvader kweekte bloemen op bloemenvelden. Sloeg af en toe met zijn vuist op tafel als we onze kwebbel moesten houden. Het bestek kwam in groep weer neer. De bloemen waren dahlia’s. Terwijl ik op school zat en voor ik thuiskwam trok hij zich soms terug in zijn schuurtje. Daar maakte hij met de figuurzaag speelgoed voor ons, dat hij ook beschilderde. Ik herinner me geen ene volzin die hij ooit gezegd zou hebben. Viel dood neer in de tuin, geloof ik. De bloemenvelden zijn nu veranderd in huizen, en er ligt een vliegveld op.

Mijn vader gaf les. Hij leerde in het geniep vliegen op dat vliegveld dat mijn grootvader haatte. Hij kreeg mijn zus, mij en later een depressie. De depressie kwam hij te boven door te joggen. Zo ziet het er toch uit. Ik ken zijn innerljke architectuur niet. Hij leeft nog, en is in goede conditie.

Lego was niet meer genoeg. Ik moest Crowley, Nietzsche en Burroughs lezen. Ik moest zuipen en drugs proberen en faalde niet altijd. Goed meisje, fout lief. Spion zijn op café, maar geen verrader. Odin zoeken in het Boekenbergpark. Proberen tekenen, proberen schrijven, leren vrijen. Terug de natuur in: planten benoemen en eten, paddestoelen benoemen en eten. Voor de zee gaan staan, en wachten. Ook de bijbel lezen, vrijwillig, toen ik klein was. Met dat stigma naar school gaan. Onder een ondoorzichtig wolkendek de angst voelen dat er op de ceremonie iets groter dan mezelf zou manifesteren, en de nog grotere angst voor het omgekeerde. Het centrum van de gebeurtenissen zijn, als een drol met ogen, zoals iedereen. Op reis gaan, in steeds kleinere spiralen. Een moeilijk manneke, uiteindelijk en toegegeven. Een slechte vriend. Zoals een ieder.
Toch boek ik onzichtbare resultaten.
Geen bijtje verandert er voor van baan.
Ondertussen werk ik ook, zoals mannen doen.

Akara Hekere

I run into the vapours of sunrise. The round earth thunders to the sound of my feet.
One horizon replaces another, ever wider and greener. All life is again surprised by light. My shadow and I run through it.
I cast a swift blue darkness in the shape of a dancing god. The shape claws at the distant hills, growing. Then when the sun drowns into the blue behind me it reaches into the cracks in the earth and the ground becomes harder.
Stars appear to the beat of my feet.
The earth still rolls. I mount the hills. I shout my name into the sky. Its echoes are full of joy.
I run into a black plain. It murmurs with scattered voices. I hear the invisible wind roar. I create it.
A fire is lit and parts of tiny bodies appear in the yellow light. They grow swiftly.
They are painted with ashes. They dance a grey dance in the sparks. The tallest one shouts, flapping his arms.
The sound grows as I come running. The wind blows it into me and I hear “Akara Hekere!”. Thunder as the fire grows larger, blinding. I run through and leave no mark. The voices drown in my wake of wind. White teeth in grey holes among the stars that howl. They are left behind.
I run deeper. The earth rings ever faster.
They have painted their faces red with ochre. They feel part of the flames. The flames follow the bodies in a spiral. Waving sheets fan the flames. Heaving voices feed the flames.
I run into the cries of “Akara Hekere!”, through the blinding heat and leave no mark.
The cold air howls from the hollows of my shape.
The bodies are painted white with lime. The circle smells of life and smoke. Sweat runs paths on the dancers. A blind child whispers “Akara Hekere!” as the fire licks the sky and I run through and leave no mark.
Silver pebbles glint in the sea of grass that comes rushing. A great storm rolls into me and I into it. I create it.
I run up the slope of the wave. I run into the crashing white spiral.
I shout my name into the sky: “Akara Hekere!”. The world echoes with joy.

Rex Tremendae

Rex Tremendae

An old gnostic protest song I made as part of an “industrial Requiem” back in 2006. I got better. I will be posting the whole thing eventually. Sit back, relax, put on the strobe lights and play loud. Allow yourself to be crushed by despair and meet the Archon in the end.

Made with a borrowed keyboard, pots and pans and noise. Charlton Heston on vocals.

Nightland

Foto genomen ergens aan de Somme. Deed mij denken aan het magistrale boek “The Nightland” van William Hope Hodgson, een van de minst leesbare boeken ooit naar het schijnt.

Running Tree

I am a native. My flesh proves this. It proves this to me through pain, while the real animals are butchered and their meat is chewed into pink juice between fat and lazy jaws. This blood comes from the earth, not from the fathers. A tree that pulses with blood, uprooted and confused: this am I. An erection from the ground, erected from the womb, free to curse, free to deny its roots and feet, free to run without consciousness of limbs. The forest moans in fear as this son of flesh cleaves through the peace of the feeding, feeding cycles of worms, insects and worms. And then he stands alone and suddenly still in a green field, deceiving you, and cows are grazing in his shade. Do not turn your back on him! But it is too late. He is free again, all chains too short and faint. Mister Sun pushes him along, on solar wind sailing, but not too proud too lie down with the worms again, to become an insect home. A home for forgotten crustaceans, heirs to hieroglyphic crabs, drawn on stone. The lines of faeces on the living cowhides too are clear and easily readable: tales of the hunt, when to eat was noble and necessary. The shaman vomits somewhere in the past. The vision is encased in time, until I break the glass that holds it, stupid, I ran into it, I broke it. And now the shaman and the monkey both vomit on me and it is good. Liquid flows and reconnects me. I am released from the hospital terminal. And it is good. Wormhome is coming home. Running Tree is a father, and he rots dead in the sun.

Rood Vuur

Rood vuur! Rode vlammen slaat mijn paard uit de rotsen met stalen hoef.
Ik ben nog nat, de zee stroomt van mijn flanken af als van een heuvel na de zondvloed. Het bliksemt hoog tussen de rotsen, de nevel wordt uit de vallei gejaagd, wervelt langs de maan, of wordt de zon gesluierd? Daar is mijn evenbeeld, hij springt van kristal tot dof graniet op rode hoeven naar beneden, laat zich vallen met kracht en trekt een tijdelijk spoor door de regen. Ook hij slaat de drum en zwaait het zwaard. Licht spat als bloed uit de rotsen, bespat de derde ruiter die flakkert op de heide, rood vuur vlekt de heuvels met elke dreunende hoefslag. De wervelwind zit achter ons allen aan. Een vierde komt een grot uitgestormd, stalagtieten breken voor zijn voorhoofd. Hij smeult, stoomt, en de regen wijkt en sist. Ook hij is mijn evenbeeld, ook hij slaat de drum en blaast als de wind met schreeuwende mond. Tegelijk ontmoeten de vier zwaarden elkaar. Wij pareren, wij slaan de drum. Wij wijken weer, trekken de teugels de vier winden in. Ik zoek de hoogte, daver over de rotsen, spiedend. De tweede is ondergronds gegaan, de derde doet het moeras trillen. Daar is de eerste: onverwacht verschijnt het briesende oog van zijn paard naast het mijne. Het vuur verdubbelt zich, wij gaan tesamen. Nu verwondt hij mij. Heet bloed komt bij de regen, als een vaandel wappert het achter mij aan. Maar ook mijn slag heeft doel getroffen. Regen en bloed spatten op en sissen op de spieren van mens en dier. Hij wijkt, en is plots verdwenen. De rotswand wijkt, een boom kantelt. Daar flikkert staal en klinkt de smidse van vlees. Ik barst door de strijd van de andere twee heen. Hun beider bloed bevlekt mij, ik draag nu vier vaandels. De bliksem heeft onze gestalten verraden. De donder sloeg de drum. Alle vier hebben elkaar nu weer gevonden, en wie het is die hakt en snijdt en steekt weet niemand, want soms worden wij de ander. Maar geen een sterft daar. Het is onmogelijk, dat de aarde ooit stil zou staan. Dan zouden wij vallen. Wij slaan de drum, wij snijden diepe voren met de hoeven. Het gewicht kneedt de aarde, laat wegen en sculpturen na, bergen richten zich op. Wij slaan de drum met donder en schreeuwen. Vuur en bloed, bloed, bebloed!