Vlucht

door aasgier

VluchtEen miljoen jaar. Zes miljoen jaar. Zestig. Miljarden. Afstanden die niet meer te verdelen waren: één weg was het die hij was gekomen. Gevlogen. Maar wat is vliegen zonder grond? De kleur die hem omringde was zelfs geen zwart meer. Was ze dichtbij, of veraf? Omhullend en warm of van absolute koude? Was de koffer, gemaakt uit basalt en vaag herinnerde contouren, ook zijn lichaam? Hij strekte zijn armen uit, om te voelen. Zijn handen schitterden in de verte. Was hij het licht van de laatste ster dan nog niet voorbijgestoken? Hij roteerde, zoals de planeten dat ooit deden. Geen ster bleef nog over in de wanden van zijn waarneming. Hij knipperde met de ogen, één keer. Daartussen sliep hij en in die tijd vergingen ontelbare zonnen en zogen zwarte gaten zichzelf naar het hiernamaals.
Dat dacht hij, toen hij weer kon zien, en de oude woorden waaruit zijn gedachten soms nog steeds bestonden, de voorouderlijke woorden, stelden hem gerust. Handen, woorden, gedachten: hij was een mens. Elders maakte het leven misschien het einde der tijden mee, hier was geen tijd, of ruimte, of wind. De zwarte koffer was zijn lichaam en zijn wereld. Hij ademde zuivere leegte. Dit gebeurde en zou gebeuren.

Soms schrok hij nog, en dan kwamen onmiddellijk de tranen. Waarom zich nog schamen voor de reflexen van het lichaam, als er geen hulp kon komen? De koffer liet de tranen door het glas gaan en in het buiten zag hij ze bevriezen en als kleine kristallen draaien in het eindeloze waarin ze verdwenen. Hij schrok van de eigen visioenen, die hem steeds weer verrasten. Want het duurde steeds lang voor hij er zeker van was dat het geen externe realiteit was die hem voor ogen kwam. Hoe kon hij ook zeker zijn, in deze zone, die onbekend was en misschien onbegrijpelijke eigenschappen bezat. Zo zag hij een keer een schittering in de verte. Het schijnsel pulseerde en naderde snel. Het bleek een koffer te zijn, identiek aan de zijne en deze kwam recht op hem af. Toen de onvermijdelijke botsing kwam gingen de tweelingen door elkaar heen en één moment waren zij één geweest: de armen afwerend, de mond bevroren in een gelijktijdige schreeuw van doodsangst. Daarna was de leegte weer leeg geweest en zonder wrijving.

De ene weg liet tijd en ruimte passeren. Eén keer had hij geknipperd, de mens, en toen zijn oogleden met de traagheid van eroderende rotsen weer naar boven waren geschoven, zag hij nog net de contouren die hij voorbijgegaan was. Hij draaide zijn hoofd, probeerde het tollen met zijn gewicht af te remmen, zodat hij beter zou kunnen zien. Er was een structuur in het duister dat hij achter zich had gelaten: het bezat kleur en vorm, maar het was te laat om deze te kunnen vatten. Alsof het onder water ging, zo verdween het gezicht langzaam onder zijn voeten. Was dit een glimp van onmetelijk leven? Het wezen van de grens van het einde? Hij had toen niet gehuild. Ogenblikken en jaren deden vergeten.

Nu was er een nieuw visioen opgedoken, en de koffer wentelde reeds in een mist van bevroren tranen. Binnenin klonk zijn eigen schreeuwen in zijn eigen oren; waar anders? Hij zag sterren voor zich: eerst blinkende gaatjes, dan stille cirkels. Al snel werden het vurige zonnen. Hij werd er tussen gestort: duizelend en gemarteld door het razen van vuur en licht, dat hij zo lang niet meer had gehoord. De koffer warmde op, voor het eerst sinds hij zich kon herinneren. Hij hield zijn ogen open gesperd, bang om de explosie van gevoel weer af te sluiten. Zijn rode hart klopte weer hoorbaar. Daar dook een zon op, onvermijdelijk zou hij in het vuur vallen. Armen van licht strekten zich wervelend naar hem uit, het lichaam van licht verblindde hem. Hij sloot in paniek de ogen.

Maar nog steeds gingen zonnen hem voorbij. Planeten traden plots uit schaduwen, gingen scheerlings langs elkaar en hemzelf heen. De koffer met de mens trilde en schoot er tussendoor. Nieuwe kleuren manifesteerden zich, en pas laat erkende hij ze. Blauw. Groen. Rood. Het ging te snel, nu hij weer referentiepunten had. Een vergeten orgaan trok samen, en uit zijn keel braakte stof en gal. Hij was lang ziek.

Nu waren de dingen omgekeerd. Alleen wanneer hij sliep zag hij nog duisternis. In die duisternis was welliswaar beweging en ook de oorzaken van gevoelens konden daar met enige moeite gevonden worden. Maar die moeite deed hij niet. Laat de verbeelding maar rusten. Te lang was alles mogelijk geweest. Wanneer hij ontwaakte was elk aspect van zijn wezen onmiddellijk geprikkeld. Hij stikte bijna in de overvloed van gewaarwordingen die door zijn lichaam ging zoals de warme sterrenwind over de zwarte koffer.

Er kwam een moment dat hij zich weer beter voelde. Geen kramp verstopte zich nog in de ledematen, alle organen waren in een onmerkbaar ritme tot rust gekomen. Die dag richtte hij zich vooruit en wachtte. Al gauw gebeurde het. De zon verscheen, aangekondigd door gouden vleugels die over de buitenste planeten vielen. Nabij werden oppervlaktes door de schaduwen van kraters en bergen versneden op ronde werelden van steen, water en kwik, die nu traag en statig voorbijdraaiden. De zon werd groter, naarmate hij dichterbij kwam. De vleugels van het hemellichaam waren nu te wijd en te groot geworden voor de waarneming. Het tollen van de koffer en van alle dingen was opgehouden. Hoe lang al? Alles wachtte af, in beweging.

Licht deed de zee van de kleine wereld schitteren. Ze was van achter de zon gekomen als aan een triomfantelijke slinger. Ook zij kon verblinden, hoe klein ze ook was. Toen zweefde hij een ruimte van schaduw en koelte in en kon hij weer zien. Alle elementen waren aanwezig voor een wonder. Als het zo voortging, zou hij haar raken. Hij zou de aarde raken, en hij zou neerkomen op zijn voeten.

Advertenties