Niet de maan

door aasgier

Niet de maan

Ik geloof dat het er altijd is. Onze planeet is klein, het onbekende zo groot. De sterren en het zwart ertussen, de nacht is er symbool van. De zon die dagelijks ondergaat levert ons telkens uit aan het onbekende. Haar begrijpen we, ze is warmbloedig zoals wij. Ze neemt afscheid met een rode schijn, of net niet en dan is ze plots verdwenen.
We weten het pas als het koud en donker is: we zijn te diep het bos in gegaan. Niet op jacht, niet op de vlucht, gewoon op wandel en het is te laat geworden. Kachels worden opgepookt, TV’s praten al uren, straks breekt de tijd van natuurdocumentaires aan. Maar het is te laat geworden, het pad kraakt onder onze voeten, de nacht ruist, bomen nemen nieuwe vormen aan. Wie is afgedaald zoekt nu een weg omhoog. Wij vinden er geen. Ik denk het te kunnen bezweren, leun tegen een eik aan alsof ik hem ken in het donker, sluit de ogen en adem langzaam in en uit. Ik luister naar het ruisen dat eerder nog stilte was. Maar alles wat kraakt en barst doet dat te dichtbij. Het zijn barsten die niet glad te strijken zijn. Ze prikken in de ziel.
Het valt niet te ontkennen: wij zijn de enige dieren hier, bange dieren onder de sterren. Keek er maar iemand toe, blonken er maar ergens ogen. We moeten verder, we worden in de rug geduwd door de wind, dan langs de wangen gestreeld door iets onzichtbaars dat lijkt op de wind. Niets geeft om ons. Niets kijkt hoe we strompelen. Nu is het maanlicht, erger nog dan niets. Kromme stammen staan bevroren gekronkeld, ze doen dieren na. Dieren staan verstard en onzichtbaar. Het is alleen ruisen dat klinkt, van een verte, verder dan het dorp komt het en het is geen wind. Het is niets dat om ons geeft. De laatste, bevrijdende vernedering is gekomen: we rennen nu, als twee bange dieren. Ook wij barsten en breken nu, te dichtbij, te luid, onomkeerbaar. Schaamteloos, alsof we naakt zijn, luider en luider laten we de grond kraken. Een gnuivende kudde van twee. Nee, ik ben de ander al vergeten en hij mij. We zijn verloren, allebei.
Als ik eindelijk val is het in zaligheid. Ik rol als een stronk naar buiten. Ben ik ontsnapt? Lig ik naast een koeienvla, slaapt de boer verderop? Hoe durf ik. Buiten is binnen, dit is het diepst van alles, de diepste plek is een open plek en het licht dat er brandt is niet dat van de maan.

Advertenties