aasgier

Mystiek, grafiek en purper proza

Vorst

VorstI’m proud and happy to have written the chilling introduction to this mindblowing book full of occult artwork (under the name Kolja Aeropagitus). Manually silkscreened and limited. Made by my old friend Janus Prutpuss and upcoming talent Cazzimir Meulemans. Get it while you can, where you can.

Advertenties

Beeld Muziek Woord Festival 2

I will be premiering a new short film called “No” here, as well as screening some older works. I will also be selling/trading It’s a Mess magazine there. Mess 2 will appear in public here for the first time.

A taste of Mess

MESS0-SELECTION

MESS1-SELECTION

Here is most of Mess 0 and Mess 1 in PDF format, for your perusal. Mess 0 was a bit of a test, and layout, font etc have since changed, but nevertheless it had some good content. Mess 1 was already more what we were going for and has sold out as a physical object.
Mess 2 is our best so far of course, and that will only be available as the physical object that it is. Because we like physical objects.
If you think it looks interesting, great, let us know if you feel like it. If you think it looks good but that it would be better with your contributions, then send us your stuff! If you want to order a Mess: the thing costs 5 euro, postage included. Just send us a message and we’ll give you payment info etc.

Send correspondence to:

What seems to be the Mess?

It’s a Mess is a magazine with a mystical slant, featuring stories, thoughts, poetry and that stuff that is commonly called art.
Text is in Dutch, English and French.
We hope to attract writers, thinkers, artists of all kinds who create not to be the big cheese in some ironic subculture, but because they have to.  The role of the artist should be shamanistic, if not for the people, then at least for the artist himself. We think you should stop lying – in all aspects of life – and dare to experience existence as it is. We have found existence to be magical, meaningful, unpredictable and fundamentally anchored in love. Not hopeless, cynical, predictable, hateful or boring.
We are trying very hard not to write any sort of manifesto; luckily we are too spontaneous and chaotic for that.
It’s a Mess can be found at various unexpected locations. Sometimes even in a shop. It can also be ordered. A downloadable selection from Mess nr. 1 can be found on this page. We will also regularly post some related material here.
Please contact us to order an issue, if you would like to collaborate, or send us your material!
Send all correspondence to:

We are interested in everything, but personal preferences go toward: fantastic literature with a mystical touch (Blackwood, Machen, Crowley, Musil, Burroughs, …), surreal and spontaneous artwork, experimental philosophy, shamanistic/magical works, poetry, animals, trees, beauty.

Gods and Men

Gods and Men

Another old Urzon track. This was actually played on Radio Centraal by Ernst H. Stohrzendr  during ‘The Horny Hour’.
Put the dog or cat outside, he/she won’t like it.

Portulaan

Niet alleen ontdekte ik onlangs dat er een buitengewoon goed magazine bestaat dat de naam ‘Portulaan’ draagt, ik kan nu ook trots melden dat mijn verhaal ‘De Prins’ een plaatsje heeft gekregen in het nieuwste nummer.

Portulaan bestaat al sinds 1985 en lijkt me een beetje een bescheiden ergfenaam van het bekende Bres te zijn, met aandacht voor cultuur, poëzie, kunst, fantastiek en esoterie. Hoofdredacteur is Ludo Noens, die indertijd onder andere voor Bres schreef en ook meerdere boeken op zijn naam heeft. Meer informatie en de mogelijkheid om te abonneren zijn te vinden op:

http://www.bloggen.be/ludonoens/

Een aanrader, want Portulaan behandelt belangrijke materie die niet uit het oog verloren mag worden.

De Levensboom

Op een plek tussen twee delen van het oneindige bos, overschaduwd door twee pilaren die het pad daar flankeren, en het in voor en achter delen, pilaren uit vroeger tijd, groen met mos en vuil van eekhoornpoten, op hun beurt overschaduwd door een lange heuvel, die zich rekt met dunnend bos naar de kleurige wolken, op die axis van gebeurtenissen klonk dit gesprek, dat gehoord werd door de sprekers, en de oren bereikte van dieren, die alleen klanken horen, en niet begrijpen of spreken. Onder die dieren was er een uil, die staarde, een egel, die kevers verteerde en een eekhoorn die aan de ronde kant van een eikel was beginnen knabbelen.

“Wij wonen hier alleen maar, wij zijn geen bewakers.”

“Wonen? Waar woont u dan?”

“De bossen rondom zijn niet leeg, Heer. En er zijn spelonken voor wie van koelte houdt, en water voor de vissen.”

“Indien het zo is dat u niet waakt, waarom tref ik u dan hier, net aan de doorgang?”

“Het is pas een doorgang als u er door gaat, Heer. Wij zaten hier te roken, dat is alles. Zoals u ons aantrof, met de billen op de boomstam en de pijp in de mond, zo zijn en waren wij, en niet minder dan dat.”

“Zit u hier dan dagelijks?”

“Soms, maar ik denk niet dat hier altijd dezelfde zitten. Vaak zijn het andere, of helemaal niemand. Geen idee wat die uitspoken. Ik heb vandaag geluk om hier te zitten, maar gisteren zat ik elders, en ook daar had ik geluk. Zo zal het zijn tot ik ziek word, of sterf, of ontwaak.”

“U bent onuitstaanbaar. U heeft spieren en een brein, en een fijngebekte mond naar ik hoor. Maar u gebruikt deze gaven niet. Uw ogen zouden wel twee knikkers kunnen zijn: zij dragen niets bij.”

“En nemen ook niets weg, Heer. Of is een beker vol wijn een dief? Inderdaad, mijn kameraden en ik zitten hier te lanterfanten, al een dag en meer. Maar om net hier te lanterfanten, moeten wij natuurlijk tot hier gekomen zijn, net als u.”

“Niet net als ik. Ik ben hierheen gekomen door en langs onvoortstelbare gevaren heen. Meermaals heeft mijn zwaard bloed geproefd, en hebben mijn eigen levenssappen de buitenlucht gezien, door tand of sabel bevrijd. Ik heb gedood om tot hier te komen, en ben niet bevreesd om te doden om weer verder te gaan.”

“Zo zijn er wel meer, Heer. Sommigen zijn zelfs gestorven om hier te komen. Andere liepen per ongeluk hun schapen achterna, in plaats van omgekeerd. Gisteren zat er hier één, een visser, die in slaap gevallen was in zijn bootje.”

“En hier terecht kwam?”

“Uiteindelijk wel. Het laatste stukje heeft hij natuurlijk te voet gedaan. Als hij hier nog was, zou hij u zeker het hele verhaal hebben verteld.”

“En indien hij hier nog was, en zijn verhaal zou willen doen, zou ik hem bevelen zijn mond te houden, net zoals ik dat nu bij u doe. Houd uw mond.”

“In afwachting waarvan, Heer?”

“Van helemaal niets. Indien het niet nodig is om de strijd aan te gaan met u, daar u zoals u zegt slechts rondhangt bij de doorgang, ga ik maar eens door, voor iets van uw lepe bewoordingen vruchtbare bodem vindt in mijn oren, en daar blijft haken. Ik groet u niet, maar hak u ook niet het hoofd af, dus wees niet misnoegd.”

“Tot ziens misschien. Mogelijk ben ik binnenkort afwezig hier, en op weg naar huis. Wie weet wie ik morgen ben en wat ik dan beslis. En als ik ga, dan zal ik vergeten hoe het was, tot iets mij er kortstondig aan herinnert. Dan zal ik tranen in de ogen hebben. Dezelfde tranen als de uwe.”

“Voor ik mijn paard de sporen geef en u mogelijk een trap: welke tranen? Ik zie er geen.”

“Straks wel hoor, dan ziet u de Levensboom door uw tranen heen. Allemaal regenbogen.”

“Ja, de Levensboom, daar kom ik voor, daarvoor heb ik jaren gereisd, gezwoegd onder mantel, zwaard en helm. Heb jij hem gezien dan? De monsters verslagen, die hem bewaken? Waar vind ik hem?”

“De monsters zijn uw oogleden, Heer. U wijst uw paard al de juiste richting uit: tussen deze pilaren door, en met het pad de heuvel over. Daar staat de Levensboom tussen hemel en aarde. En wanneer u hem gezien heeft, kan u hier weer naartoe komen, of elders heengaan. De omgeving is hier steeds cirkelvormig, met de Boom als middelpunt, dus komen wij elkaar nog wel eens tegen, behalve als u steeds rechtdoor gaat natuurlijk. Maar dat doe niemand, ook zij die het willen niet.”

“Gewoon rechtdoor, onder de pilaren door, over de heuvel heen! Ik kan het niet geloven.”

“Wat mooi, Heer, dat u door uw eigen wilsbeschikking hier naartoe bent gekomen. De meeste weten pas dat de Boom bestaat wanneer ze hem zien.”

“De meeste? Gaat u mij vertellen dat iedereen hier, inclusief uw slaperige kameraden, en de bewoners van de bossen, spelonken en meren, de Boom al kennen?”

“Maak u geen zorgen, Heer, zij vergeten het wel weer. Misschien komen er ooit wel enkele seconden wanneer u de enige bent die er weet van heeft, of had.”

“Het maakt niet uit, als ik hem maar te zien krijg. Daar ben ik voor gekomen. Hoe ziet hij er uit, als ik vragen mag? Zodat ik niet flauwval of zo.”

“Weet u wat, ik zal hier op deze stronk blijven zitten en daar op u wachten. Vertelt u me dan maar hoe hij er uitziet, als u terugkomt.”

“Dat klinkt opperbest. U heeft nog tabak genoeg?”

“Genoeg voor twee, maar niet voor altijd.”

“Tot binnenkort dan maar.”

“Tot ziens! Geniet er van.”

De uil was inmiddels gevlogen, en speurde verderop naar muizen en motten in een bodemloze wereld van takken. De egel had bijna de harde kevers verteerd, en was in slaap gevallen. De eekhoorn had de eikel afgekloven tot een houten klokhuis, en zocht nu een nieuwe.

Manager

Pseudoephedrine

Astrale broodrooster

Ik mag niet klagen, ik heb altijd al wonderlijke dromen gehad. Deze geheime wereld wil ik grotendeels geheim houden.
Maar vannacht hebben wij zo gelachen, de Ander en Ik, dat ik het niet kan laten er over te spreken, en zo herinner ik misschien ineens de ongelovige er aan dat de grap van het zijn ook de grap van de magie is. Die Ander noem ik soms ook het Onbekende. Maar een naam is er niet voor, net zoals de mier, de aarde, u weet wel: Alles eigenlijk geen naam heeft. Namen en structuren zijn mythen, en ik lach hartelijk om de rede, als ik me er niet aan erger. Soms vergeet ik die grap, die ook moord heet, liefde, mier, aarde, mens, water: ad infinitum. Terug naar de droom, die mij er aan herinnerde. Eerst enkele zogenaamde feiten:
Ik heb altijd al wonderlijke dromen gehad, waaronder van die soort die lucide dromen wordt genoemd. (Over de andere soorten zwijg ik, wie weet mag ik die geheimen niet verklappen.) Tien jaar geleden ongeveer begon ik mezelf te trainen: ik koos een alledaags object dat, als ik het zou tegenkomen in mijn droom, me er aan zou moeten herinneren dat ik droomde, waardoor mijn volledig bewustzijn zou worden ingeroepen (verschillende varianten van deze techniek zijn te vinden in de occulte literatuur.)
Nu sla ik tien jaar over, tien jaar waarin alles is gebeurd dat mij heeft gemaakt tot wat ik nu ben: dankbaar in de eerste plaats. Dromen, waaronder lucide, speelden een grote rol in de wegen die mij getoond werden, en in de keuzes die ik maakte. Ik luisterde, maar dat betekende niet altijd: gehoorzamen. Het object, dat ik indertijd had gekozen, liet zich soms wel zien in mijn dromen, maar speelde dan nooit de rol die ik er aan had willen toebedelen. Ik kreeg alles gratis: genade.
Ere aan de spirits, en de onbekende god, en aan de godin, die ik dien. Zij zijn de weg en de richting. De aarde waar de aarde over gaat.
Maar verder nu, hier komt de grap:
Veel gezopen gisteren, veel te vroeg wakker geworden (uit een droom waarin een klootzak in een short mij op het gezicht wou slaan) omdat mijn lichaam het nodig vond mij deelachtig te maken aan haar pijn. Maar ik moet even weer in slaap gevallen zijn.

Ik was op het werk, zat op die gehate bureaustoel, voor dat gehate rechthoekige oog van de monitor, die het blauw van een product liet schijnen uit het wit van plastiek. Man wat was ik misselijk. En ik moest hier nog de hele dag zitten, half bezopen nog, en ik was blijkbaar te vroeg gekomen ook, want er was nog niemand. Er klopte iemand op de deur, een klant waarschijnlijk, en de deur was nog op slot, en ik zou verdorie moeten rechtstaan om ze open te doen. Ik merkte dat ik echt kotsmisselijk was, en duizelig. Dit gaan ze merken, dit valt niet te verbergen, shit, hoe ben ik ooit met zo’n kater durven komen werken. Dit loopt verkeerd af. Door de glazen deur zag ik een familie met kinderen naar binnen loeren. Mijn zwetende handen lieten de sleutel vallen, ik kroop op handen en voeten wat rond en kreeg uiteindelijk na heel wat bijzonder zichtbaar geklungel de deur open. Bleek dat ze helemaal niet binnen moesten: ‘Die deur maakt gewoon een kloppend geluid, meneer’.
Dit ging een rotdag worden. Ik strompelde terug naar mijn bureau, rook de alcoholgeur die ik uitwasemde en wist hoe ik er uit zag: bleek met accenten van groen.
Mijn baas was er nu, en ook mijn drie collega’s zaten over hun keyboard gebogen. ‘Goedemorgen’ zei de baas zonder om te kijken, toen ik hem voorbijging. Ik antwoorde tot mijn verbazing met een klankenspel dat klonk als ‘Ghlublaaarh’! Maar niemand reageerde. Ik ging nog niet zitten op de gehate bureaustoel. Terwijl ik nadacht, met wenkbrauwenwerk peinzde, bekeek ik de monitor en de harde schijf, die wachtten. ‘Dit zou best eens een droom kunnen zijn’, bedacht ik. ‘Zo begaaid zou ik nooit durven komen werken. En dat rondkruipen, zoiets doe ik niet, daar voel ik me te goed voor. En ‘Ghlublaaaarh’?’
Wat zou ik allemaal niet kunnen uitsteken, als dit echt een droom bleek te zijn. Maar ik kon niet zeker zijn. Het leek ook sterk op een heel rare en heel rotte dag.
Hier ben ik trots op: mijn besluit was het volgende, en zo sprak mijn droomzelf het uit, luidop: ‘Droom of geen droom, het wordt tijd dat ik de boel hier kort en klein sla.’ Toen ben ik met het keyboard de monitor beginnen bewerken, die gedwee bezweek. Niemand reageerde. Ook ik koester het verlangen om mijn baas het hoofd in te slaan. Dat blijkt uit de volgende feiten (als droomfeiten tenminste in dezelfde ontologische categorie als ‘echte feiten’ van de lezer een paatsje mogen krijgen. De schrijver kan het eigenlijk niet schelen):
“En nu is het jouw beurt, klootzak!’, schreeuwde ik. Ik wist nu wel zeker dat dit een droom moest zijn, en had besloten dat dit de ideale gelegenheid was om eens een ‘dry run’ te doen van het een en ander. Maar daar hield mijn diepgewortelde afkeer voor geweld mij tegen, het keyboard geraakte maar niet tot tegen de schedel van de baas, die gewoon met de rug naar mij gekeerd bleef staan. Foert, dacht ik na wat vruchteloos gemep, ik ga deze droom niet op m’n werk uitzingen. Weg hier!

Ik bevond me aan de kant van de rivier, bootjes lagen voor en achter, miniatuurklippen liepen af naar ondiep water. Industrie verderop, met bomen en huizen er omheen. Oppassen voor motors hier. Het geluid van motors: dat is al een waarschuwing. Hier ben je zichtbaar. Wat ging ik doen? Vliegen natuurlijk, dat is het leukste. Ik begon langs de oever te rennen, steeds sneller en steeds wijder en al snel gebeurde het: ik vloog – een tiental meter – en kwam weer neer. Joepie! Proberen te blijven zweven nu: ik sprong omhoog, kneep mezelf samen daar, en ja ik zweefde, zwoof, zwoef! Letterlijk riep ik ‘Dit is het allerleukste dat ik ooit gedaan heb! Dit is zo leuk!’. Ondertussen was het mij opgevallen: er kwam iets uit de verte aangevlogen, een klein rechthoekig dingetje. Nog ver en klein, traag. Het volgde de rivier, die in brede kronkels stroomde. Ik draaide mij er van weg, wachtte en luisterde een poosje. Dan keek ik weer achterom, en het dingetje was dichterbij gekomen. Wat was het voor iets? Ik hief een hand op om het te meppen: ik was er nog niet helemaal: ik moest voelen, proeven, ruiken, en dit was de sleutel. Hier kwam het aan. Op een meter afstand nu, en het was duidelijk herkenbaar als een broodrooster, een ouderwetse. SMAK! En met die smak vloog het toestel een eindje achteruit, en verdween uit de droom met uitgespeelde rol. Mijn hand had het ijzer gevoeld. Lucht had met geluidsgolven getrild. Ik was er, voelde de grond onder mijn voeten (ik was weer even neergekomen). Ik snoof de lucht: lekkere zeelucht. Daar lag een plas over de stenen oever gespreid: ik deed het water opspatten, en mijn handen waren nat, nat, nat. ‘Gedaan met dit plekje, ik maak een bos!’

Ik vloog en rende het bos in: ik was nu een mooi en zeldzaam dier, iets tussen een luipaard en een edel paard, maar kon mijn eigen lichaam niet zien. Een keltisch dier op een bronzen schild, zo verbeeldde ik mezelf. In het bos vond ik een boek op een altaar van keien: ik nam het op en las er in. Ik herinner mij de woorden. Meer mag ik niet zeggen. Uiteindelijk vonden de wachters mij, en zij reden mij klem met hun terreinwagens. Toen was ik al niet veel meer dan een konijntje, bang en weerloos, dus ontsnapte ik weer het belabberde bewustzijn in.

Ik giechelde en juichte onder het dekbed, ondanks de hoofdpijn en het zure luchtje dat daar hing: dit was mijn beste, meest intense lucide droom ooit.
Maar hier moest ik het meest om lachen, om misschien moeilijk te begrijpen redenen:
Tien jaar heeft het geduurd, voor die grapjas van een broodrooster de weg naar mij gevonden had.